E-go

Onderzoek is meestal prachtig en verwarrend tegelijk. Neem nu het volgende rapport over resultaten en sturing in 46 grotere ICT-projecten. Er werden daarbij vragen gesteld om de eigen bereidheid tot verandering te waarderen en ook die van de project-collega’s. En wat blijkt? Slechts 24% van de ondervraagden geeft zijn of haar collega’s hetzelfde cijfer voor veranderbereidheid en maar liefst 76% vindt zichzelf meer bereid om te veranderen dan de naaste partners in het project. De eigen bereidheid scoorde een 9,4 gemiddeld, de beoordeelde bereidheid van collega’s bleef steken op een 6,4…

Ander voorbeeld. In de jaren ’80 werd aan Zweden gevraagd hun kwaliteit als automobilist te beoordelen: minder dan gemiddeld, gemiddeld of bovengemiddeld. U raadt het al: 80% van de automobilisten vond zichzelf bovengemiddeld. Je hoeft Eckhart Tolle niet gelezen te hebben om te begrijpen dat we hier het ego aan het werk zien. Daar kun je om glimlachen, maar het zijn toch ongemakkelijke onderzoeksresultaten. Het is namelijk niet meer vol te houden dat alleen anderen een ego hebben: we hebben allemaal zo’n stoorzender.

Is het nou alleen maar ego? Ja en nee natuurlijk. Ons arbeidsethos, onze landscultuur en onze media waarderen individuele prestaties meer dan groepsprestaties. Oftewel: eigenlijk dwingen we elkaar om onszelf hoger te waarderen dan ieder ander. Als daar dan ook betere prestaties tegenover staan is dat nog niet zo erg, maar dat is meestal niet het geval. Het ego is een mooi ópstapje naar betere prestaties. Maar wie op het opstapje blijft staan, zal de echte grote sprong nooit maken.

 

< terug naar overzicht